

Kenmerken goede loophouding
Een goede loophouding laat zich door een aantal kenmerken onderscheiden. Aangezien de loopbeweging één cyclisch geheel is, kan je het één niet los zien van het ander. Je kan aan één kenmerk voldoen zonder aan een ander te voldoen, wat helemaal geen garantie is dat je houding goed is.
-
Algemeen: een goede loophouding is veerkrachtig en dynamisch, oogt soepel en groot.
-
Groot lopen: Het lichaam is uitgestrekt en groot en leunt in z'n geheeld voorover (niet geknikt vanuit de heupen). De mate van voorover hellen hangt samen met de loopsnelheid. Het tegenovergestelde van een groot, uitgestrekt lichaam is een zittende houding en inzakken in heupen, knieën, romp en zelfs hoofd. Ook het hoofd moet mooi rechtop.
-
Hoge pasfrequentie: Een hoge pasfrequentie is essentieel om ontelbare redenen 170 is zeker een minimum, voor tempolopen en interval is zelfs 175 het minimum. 180 of hoger zal je loophouding nog effiënter maken mits ook de andere punten toe te passen. Een hoge pasfrequentie of goeie schaarbeweging kan je op foto/video heel goed controleren door te kijken naar de positie van je zwaaiknie op het moment dat de andere voet de grond raakt. Is die knie nog ver achter de andere knie, dan heb je een zwakke houding en te trage cadans
-
Voetplaatsing: Landen op middenvoet, zo kort mogelijk onder het lichaam. Met middenvoetlanding kijken we niet exact naar wat eerst de grond raakt, wel naar hoe het grondcontact is op het moment dat het gewicht op de voet komt. Hoe meer je voet recht onder je lichaam landt, hoe beter.
-
Armen 90°: armen trekken actief naar achter. Vuisten (ontspannen) zijn ter hoogte van of net boven de harde heupkam. Armen die te weinig geplooid zijn vertragen het pasritme. Armen die teveel geplooid zijn leveren weinig krachtoverdracht via onze core. Te fel roterende schouders zijn sowieso een teken van een zwakke houding. Er is een groot verschil tussen teveel rotatie versus torsie. Torsie is nodig (spierspanning in de core voor een goede schaarbeweging), rotatie is mogelijk nefast. Het vergt een beetje ervaring om het verschil te zien.
-
Kort grondcontact: Een kort, verend en elastisch grondcontact zorgt zowel voor het aansturen van een goede kniezwaai, het aansturen van een snelle hielheffing en het is een cruciaal onderdeel voor een hoge pasfrequentie. Onze voeten en benen zijn gemaakt voor een elastische landing.
-
Snelle kniezwaai en snelle hielheffing: Beide moet snel zijn. De hoogte is afhankelijk van loopsnelheid, maar zowel kniezwaai als hielheffing moeten snel na het grondcontact geschieden. Een kniezwaai en hielheffing (beide zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden bij een goede houding) die uitblijven wijzen op een zwakke schaarbeweging en dus ook een zwakke houding.
-
Actieve voet: Voet valt grond aan bij de voetplaatsing en tenen wordt geheven in het doorhalen.
-
Zweeffase en hoogte: Het lichaamszwaartepunt moet hoog zijn. Er moet een duidelijke zweeffase zijn tussen het verlaten van de grond en de voetplaatsing. hoogte is nodig om je benen ruimte te geven om een correcte beweging te doen. Lopers die aan de grond genageld zijn, hebben soms zo weinig ruimte dat er geen andere weg naar voor is voor de voeten dan de voeten naar buiten te laten wijzen (veel slingerende rotatiekrachten). De schaarbeweging is de helft van de loopbeweging, en die gebeurt in de lucht. Zonder hoogte en zweeffase geen deftige houding.